
De WBSO is één van de meest gebruikte subsidie-instrumenten voor innovatieve ondernemingen in Nederland. Om optimaal gebruik te maken van de regeling is het belangrijk om de ins en outs goed te kennen. In deze serie Tips & Tricks deelt Craeghs haar kennis en ervaring. In dit deel: het verschil tussen de forfaitaire methode en de kosten-uitgaven methode.
De WBSO geeft een vermindering in loonbelasting op basis van het aantal S&O uren dat wordt gewerkt in uw organisatie. Deze vermindering is direct gekoppeld aan uw daadwerkelijke loonkosten. Er is echter ook een voorziening om u tegemoet te komen in uitgaven die u doet voor materialen zoals bijvoorbeeld testbanken, prototype materialen, etc. Er zijn twee manieren om deze tegemoetkoming te berekenen.
Bij de forfaitaire benadering krijgt u een forfait van €10,- bovenop ieder gewerkt S&O uur (€ 4 per S&O-uur boven de 1.800 uur). Bij de kosten-uitgaven benadering kunt u uw daadwerkelijke kosten en uitgaven opvoeren. Aan het begin van ieder jaar geeft u voor dat gehele jaar aan welke aanpak u wilt gebruiken.
Het omslagpunt tussen beide aanpakken is afhankelijk van uw specifieke situatie. In het algemeen kan gezegd worden dat: hoe méér loonkosten u verhoudingsgewijs hebt, hoe beter het forfait is; hoe méér directe kosten (materialen, testruimtes, etc.) u hebt, hoe beter kosten-uitgaven is. Maakt u bijvoorbeeld veel niet-commerciële prototypen? Dat kunt u mogelijk beter kosten opvoeren zodat deze materiaalkosten vergoed worden.
Eerder hebben we het al gehad over WBSO controles en hebben we de Innovatiebox behandeld, een vermindering van uw winstbelasting. Bekijk ook ons klantverhaal met Image Building, hierin wordt ingegaan op wat voor ontwikkelingen kunnen worden ondergebracht in de WBSO. Heeft u een vraag die nog niet beantwoord wordt? Neem contact met ons op en we helpen u graag verder!
